Uitdiensttreding en ziekte, geen ontbindingsprocedure meer?

Als een zieke werknemer instemt met een beëindiging van het dienstverband is de kans zeer groot dat bij het aanvragen van een ZW-uitkering problemen ontstaan. Het UWV kan zich op het standpunt gaan stellen dat een werknemer dan verwijtbaar werkloos is. Voor het ontslaan van een zieke werknemer geldt namelijk een opzegverbod en als men toch instemt met het ontslag is dit een benadelingshandeling naar het UWV toe. Om dit probleem op te vangen dient er dan een kostbare ontbindingsprocedure bij de Kantonrechter te worden gevolgd. Deze kosten zijn onnodig als er al een adequate beëindiging van het dienstverband is overeen gekomen. Voor werkgever én werknemer is dit een onnodig obstakel om in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

De Centrale Raad van Beroep heeft als hoogste rechtsorgaan onlangs een interessante uitspraak gedaan over dit onderwerp (CRvB 10/6050 ZW, LJN BW1977). Het betrof een zieke werknemer die uitdienst is getreden en conform de Kantonrechtersformule een neutrale vergoeding heeft ontvangen. Het UWV heeft vervolgens de aanvraag voor een WW-uitkering afgewezen omdat de werknemer tijdens ziekte heeft ingestemd met een beëindiging van het dienstverband. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het opzegverbod van toepassing is en dat werknemer door in te stemmen met de beëindiging van het dienstverband een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het inroepen van het opzegverbod zou in een procedure bij de Kantonrechter niet bij voorbaat kansloos zijn geweest.

De conclusie tot dusver is dat wederom een kostbare en tijdrovende ontbindingsprocedure gevolgd had moeten worden om de belangen van een uitkering bij het UWV te waarborgen.

De Centrale Raad van Beroep heeft in deze zaak een interessante uitspraak gedaan. Zij stelt dat er weliswaar door instemming met beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte sprake is van een benadelingshandeling. Echter, de Raad acht de kans dat in een ontbindingsprocedure de rechter het verzoek tot ontbinding wegens het opzegverbod zou afwijzen verwaarloosbaar klein. In een dergelijke situatie kan niet met recht worden gesproken van een benadelingshandeling. De werknemer heeft aldus gewoon recht op een uitkering.

Het obstakel om tijdens ziekte een kostbare ontbindingsprocedure te moeten volgen, terwijl er een uitstekende beëindigingsovereenkomst is gemaakt, lijkt hiermee van de baan. Voorwaarde is wel dat de kans dat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen verwaarloosbaar klein is. Verdere jurisprudentie hierover zal hoogstwaarschijnlijk de komende tijd gaan volgen. In ieder geval bespaart het zowel werkgever als werknemer veel kosten.

Indien u naar aanleiding van dit onderwerp nog vragen heeft kunt u uiteraard contact opnemen met mr. Gerald Janssen op telefoonnummer 020-5400170.